De verzoening behoort tot de diverse procedures om de vrederechter, die uitsluitend bevoegd is op het gebied van huurovereenkomsten, te betrekken bij een huurgeschil. De procedure is kosteloos en wordt ingeleid op de griffie van het bevoegde vredegerecht.
De aanvrager kan alleen optreden, zonder advocaat. De griffie roept met een gewone brief beide partijen op om op een bepaalde dag voor de rechter te verschijnen. Op die dag hoort de rechter de partijen, hij geeft zijn mening en de verzoening of minnelijke schikking is geslaagd als een overeenkomst wordt bereikt. De partijen kunnen het standpunt van de rechter steeds verwerpen, aangezien het niet afdwingend van aard is. Als er overeenstemming is, wordt dit in een proces-verbaal geacteerd en deze overeenkomst krijgt in zekere zin de waarde van een wet tussen beide partijen. Als echter geen overeenstemming wordt bereikt of als de wederpartij niet is verschenen (verstek), blijft er alleen nog de weg open van een eigenlijke gerechtelijke procedure.
Hoe was het vroeger ?
Sinds 10 januari 2003 moeten « inzake de huur van woningen, de hoofdvorderingen inzake de aanpassing van de huurprijs, de invordering van achterstallige huurgelden of een eis tot uitzetting uit het onroerend goed ter minnelijke schikking voor de vrederechter worden gebracht » (artikel 1344 septies van het Gerechtelijk Wetboek).
Voordat een hoofdvordering werd ingeleid, moest er dus eerst een verzoeningspoging zijn. Die verplichting leidde echter zelden tot overeenstemming tussen de partijen (minder dan 1 keer op 10). Bovendien werd die verplichting vaak aangegrepen door de huurder om de procedure te vertragen door niet te verschijnen op de verzoening of door van kwade trouw te zijn. Zo kon hij langer in het gehuurde goed blijven zonder huur te betalen.
Het is duidelijk dat de eigenaars niet erg enthousiast waren over deze wet. Voor sommigen onder hen betekende het verhuren van hun enig onroerend goed een investering die met een hypothecair krediet was gefinancierd waarbij dus het lange uitblijven van huurgelden tot gevolg had dat ze hun maandelijkse hypothecaire aflossingen niet langer konden betalen.
Veel advocaten hebben gewezen op de perverse effecten van deze procedure. Zonder in de details te willen treden was het al zo dat een aantal vrederechters niet toestonden dat bij de mislukking van de voorafgaande verzoening de procedure werd gerekt.
Hoe is het nu ?
Voor het einde van juli 2008 (wet van 18 juni 2008, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 14 juli 2008) is de verplichting om alle hoofdvorderingen bedoeld in artikel 1344 septies van het Gerechtelijk Wetboek afgeschaft. Het nieuwe artikel 1344 septies van het Gerechtelijk Wetboek dat het vervangt, preciseert : « Dit artikel is van toepassing op elke hoofdvordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning betreffende de huur van woningen. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 731, eerste lid, 732 en 733 poogt de rechter de partijen te verzoenen. Indien de partijen niet tot verzoening komen of in geval van verstek, wordt de procedure ten gronde behandeld. Het vonnis vermeldt dat de partijen niet tot verzoening kwamen.
De voorafgaande verzoeningsprocedure is dus afgeschaft. In de memorie van toelichting van de wet staat onder meer het volgende te lezen : « Wat betreft de grond van de zaak lijkt het ons niet gepast een verzoeningspoging in deze materies verplicht te maken. De facultatieve mogelijkheid tot verzoening is naar onze mening te verkiezen boven een verplichte verzoening. In veel gevallen is een verzoeningspoging immers nutteloos... En voor de aanvrager leidt dit bijgevolg tot onnodige bijkomende kosten ».